> home

BereikbaarheidContactOpeningSitemap & zoekenEnglishHome

Orgels Domkerk

Over de orgels van de Domkerk bestaat een prachtig boekje "De orgels van de Domkerk" van Willem-Jan Cevaal, dat in de winkel van de Domkerk te koop is.

Jan Hage nieuwe Domorganist

Jan Hage, organist van de Kloosterkerk te Den Haag is benoemd tot organist van de Domkerk. Hage volgt daarmee Jan Jansen op die op 14 en 15 mei 2011 afscheid neemt als Domorganist vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

De benoeming volgt op een uitgebreide procedure waarin gesprekken en voorspeelrondes met meerdere kandidaten hebben plaatsgevonden.

Naast zijn werkzaamheden als organist in de erediensten van het Citypastoraat Domkerk zal Jan Hage ook (mede) invulling geven aan de Zaterdagmiddagmuziek in de Domkerk. Op zaterdag 21 mei zal Hage in Utrecht zijn eerste concert geven als Domorganist.

Bätz-orgel

 De geschiedenis van het tegenwoordige Hoofdorgel in de Utrechtse Domkerk begint reeds in de 16e eeuw. In die tijd was de Domkerk de Hoofdkerk van het bisdom Utrecht, waaraan een college van hoge geestelijken was verbonden, het Domkapittel. Domproost Cornelis van Mierop bewerkstelligde dat de opdracht voor de bouw van een nieuw orgel in 1568 werd gegeven aan de Utrechtse orgelbouwer Peter Jansz. de Swart. Drie jaar later, op 24 oktober 1571, vond de keuring van het nieuwgebouwde orgel plaats. Dit orgel was geplaatst in het Noordertransept van de kerk en was voorzien van drie klavieren en een pedaal. Dr. M.A. Vente maakte de volgende reconstructie van de dispositie:

Rugwerk:

Bovenwerk:

prestant 8' prestant 8'
quintadeen 8' holpijp 8'
octaaf 4' octaaf 4'
octaaf 2' open fluit 4'
fluit 2' woudfluit 2'
mixtuur flageolet 1'
scherp trompet 8'
tousijn 8' kromhoorn 8'
schalmei 4' onbekend register
omhoog

Vanaf 1741 was het onderhoud van het orgel in handen van de Utrechtse orgelbouwersfamilie Bätz. De nieuwbenoemde organist van de Dom, Frederik Nieuwenhuijsen, uitte in 1779 de wens tot grondige herstelwerkzaamheden aan het orgel. Aanvankelijk stelden Nieuwenhuijsen en Gideon Thomas Bätz een uitgebreid restauratieplan op. Uiteindelijk ging de kerkvoogdij in 1825 over tot de opdracht aan Johan en Jonathan Bätz voor het bouwen van een nieuw orgel. Het ontwerp van de orgelkast werd toevertrouwd aan de architect Tieleman Franciscus Suys (1783 - 1861), hoogleraar aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Onder invloed van Domorganist Frederik Nieuwenhuijsen werd een groot aantal registers uit het 16e eeuwse orgel overgenomen in het nieuwe orgel. Op 20 mei 1831 vond de eindkeuring van het nieuwe instrument plaats; hierbij werd de "ronde toon, de doordringende kracht en de mannelijke en deftige toon van het pedaal" geroemd. De inwijding vond in een dienst plaats op 25 mei 1831. De van oorsprong witte kast werd in 1865 imitatie-eiken overgeschilderd, terwijl bovendien de orgelmaker C.G.F. Witte (de voortzetter van het bedrijf Bätz) de sexquialter van het Hoofdwerk verving door een cornet 5 sterk. In 1895 herzag J.F. Witte de intonatie. In 1911 werd een aantal ingrijpende wijzigingen uitgevoerd door de orgelbouwer J. de Koff te Utrecht:
- op het Rugwerk de plaatsing van een hobo 8' in plaats van de tousijn 8'; en een fernfluit in plaats van een fluit 2'.
- op het Hoofdwerk een vernieuwing van de trompet 8'; de plaatsing van een violon 8' in plaats van de woudfluit 2'; en een flûte harmonique in plaats van de gemshoorn 4'.
- op het Bovenwerk de plaatsing van een clarinet 8' in plaats van de vox humana 8'; en een voix céleste in plaats van de roerquint 3'.

De oorspronkelijke balgen waren geplaatst in een ruimte die tegen de westzijde van de Domkerk was aangebouwd. In 1935 werd deze aanbouw verwijderd en hierdoor werd het noodzakelijk een nieuwe windvoorziening aan te brengen. Deze werd in de orgelkast geplaatst.
Na de aanleg van een verwarmingssysteem in de jaren vijftig had het orgel erg te lijden van de grote temperatuurswisselingen. Dit had tot gevolg dat het instrument in 1973 vrijwel onbespeelbaar was geworden. Aan de Utrechtse orgelbouwers Gebr. Van Vulpen werd de opdracht gegeven voor een totale restauratie en het herstel van de oorspronkelijke dispositie. Voor de reconstructie van verloren gegane registers werden de gelijknamige registers bestudeerd van de orgels in de Hooglandse Kerk te Leiden (Peter Jansz. de Swart, 1565), de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam (Gebr. Bätz, 1830) en de Nieuwe Kerk te Delft (Gebr. Bätz, 1839). Het zwelwerk uit 1911 en de windvoorziening uit 1935 werden gehandhaafd. De kast werd in de oorspronkelijke witte kleur teruggebracht. Op zaterdag 7 juni 1975 werd het gerestaureerde Domorgel in gebruik genomen met een concert door de toenmalige Domorganist Stoffel van Viegen.

omhoog

Bätz-orgel
Kabinetorgel
Kistorgel

Dispositie:

Hoofdwerk:

Rugwerk:

prestant 8' 1831
prestant 16' 1831 cornet 5 st. 1831
bourdon 16' 1831 holpijp 8' 1831
octaaf 8' 1831 quintadeen 8' 1571/1831
sexquialter 4 st. 1975 octaaf 4' 1571/1831
roerfluit 8' 1831 quint 3' 1571/1831
octaaf 4' 1831 roerfluit 4' ca.1700
gemshoorn 4' 1975 octaaf 2' 1571
quint 3' 1831 fluit 2' 1975
woudfluit 2' 1975 mixtuur 3-6 st. 1571
octaaf 2' 1831 scherp 3-4 st. 1571
mixtuur 4-8 st. 1831 trompet 8' 1831/1895
fagot 16' 1831 tousijn 8' 1975
trompet 8' 1975 tremulant 1975

Bovenwerk:

Pedaal:

viola di gamba 8' 1831/1895 prestant 16' 1831
fluittravers 8' 1831 open subbas 16' 1831
prestant 8' 1831 octaafbas 8' 1831
baarpijp 8' 1831 fluitbas 8' 1831
holpijp 8' 1831 octaaf 4' 1571
carillon 3 st. 1831 roerquint 6' ca.1700
open fluit 4' 1571/ca.1700 mixtuur 4 st. 1571
octaaf 4' 1571/ca.1700 bazuin 16' 1831
gemshoorn 2' 1571/ca.1700 trombone 8' 1831
roerquint 3' 1975 trompet 4' 1831
flageolet 1' 1571/ca.1700 cinq 2' 1831
echotrompet 8' 1831/1895 vox humana 8' 1975
tremulant 1935
Manuaalomvang : C - f'''
Pedaalomvang : C - d'
Twee manuaalkoppels
Twee pedaalkoppels
Totaal 3698 pijpen, waarvan 1013 afkomstig zijn van het orgel uit 1571.

omhoogKabinetorgel

Het Kabinetorgel in de Domkerk werd in 1796 gebouwd door Gideon Thomas Bätz, oom van de bouwers van het Hoofdorgel. Dit kabinetorgel stond oorspronkelijk in Kasteel Middachten te De Steeg. In 1965 werd het gerestaureerd door de fa. Flentrop te Zaandam.

Dispositie

prestant 8'   discant
holpijp 8'   bas- en discant
octaaf 4'   discant
open fluit 4'   bas- en discant
octaaf 2'   bas- en discant
trambland

Manuaalomvang:C - f'''
Toonhoogte :a' = 415 Hz

omhoogKistorgel

Het kistorgel dat in het zuidertransept van de Domkerk staat opgesteld, is op 8 oktober 2008 in gebruik genomen. Hoewel de kerk al over verschillende (historische) orgels beschikte, bestond er vooral voor de concerten van de Zaterdagmiddagmuziek al jarenlang behoefte aan dit specifieke instrument.

De reeds beschikbare orgels waren in lang niet alle gevallen bruikbaar voor ensemblespel: het grote Bätz-orgel heeft een afwijkende toonhoogte en de kabinetorgels een wat ongemakkelijke stemming. Voor alle orgels geldt dat ze niet verplaatsbaar zijn, wat nogal wat beperkingen oplevert voor het gebruik van de ruimte. In het bijzonder wanneer het ensemble een dusdanige omvang heeft dat het hoogkoor te klein is en er in de viering onder het grote orgel moet worden gemusiceerd, en ook wanneer een compositie voorschrijft dat verschillende delen van het ensemble ieder op hun eigen plaats door een orgel moeten worden bijgestaan, is een verplaatsbaar kistorgel met voldoende volume nodig. Ook is het nu mogelijk composities voor twee orgels uit te voeren; de reeds aanwezige instrumenten lenen zich door hun eigen karakter slecht voor samenspel.

Het kistorgel is voorzien van een flink aantal geluiden (die zelfs over twee manualen verdeeld zijn, een unicum voor een kistorgel). Het is daarmee prima bruikbaar als concerterend solo-instrument, maar vooral ook zeer geschikt voor de begeleiding van vocale en instrumentale solisten of ensembles.

Het instrument is gebouwd door orgelbouwer Henk Klop in Garderen.
Zijn vader Gerrit Klop begon in 1966 met het bouwen van klavecimbels en in de loop van de tijd kwamen daar orgels bij. Inmiddels zijn wereldwijd ongeveer 350 kistorgels van Klop in bedrijf, onder meer in het Vaticaan en in de Thomaskirche te Leipzig.

De kistorgels van Klop bestaan uitsluitend uit houten pijpen. Als basis nam de bouwer de mensuren voor de pijpen van de Duitse orgelmaker Esaias Compenius (1572-1617). In de kapel van slot Frederiksborg in het Deense Hillerød bevindt zich het beroemdste voorbeeld van een Compenius-orgel met alleen houten pijpen.
Meestal vormt de Holpijp de basis van een kistorgel, maar een ruimte als de Domkerk vraagt om een instrument met een goede draagkracht. Daarom is er naast de Holpijp een Prestant in de dispositie opgenomen. Gezien de benodigde lengte van de prestantpijpen is het laagste octaaf naast het orgel opgesteld.

Regaal

Het kistorgel beschikt ook over een Regaal. Dit instrument heeft een zeer eigen klankkleur en kararakter en is onontbeerlijk voor de uitvoering van muziek uit met name de vroegbarokke periode (o.m. Monteverdi, Schütz en tijdgenoten.) Het Regaal is te gebruiken als tweede manuaal op het kistorgel. Het kan echter ook daarvan worden losgekoppeld en als zelfstandig instrument worden bespeeld. Het heeft een eigen windmotor met een hogere winddruk dan het kistorgel.


Dispositie

Manuaal I      
holpijp 8'    
roerfluit 4'    
prestant 8'   C-e naast orgel
octaaf 4'    
octaaf 2'
 
Manuaal II
regaal 8'

Manuaalomvang:C-f’’’’ Manuaalkoppel
Toonhoogte :a' = 415 Hz

Afmetingen

kas   l=113 x h=105 x d=72 cm
prestantpijpen   h=260 x b=50 x d=40 cm
     
bouwjaar   2008
vormgeving   Joop Seldenthuis
bouw   Henk Klop

 



omhoog