Achter de Dom 1
3512 JN Utrecht
t 030-2310403
f 030-2316921

BereikbaarheidContactOpeningSitemap & zoekenEnglishHome

Geschiedenis Domkerk Utrecht

Ontstaan en groei van Utrecht

Bij het begin van onze jaartelling beheersten de Romeinen grote delen van Europa. In Noordwest Europa werd de Rijn hun noordelijke grens. Verdere uitbreiding naar het noorden had weinig zin. Daarom gaf de Romeinse keizer Claudius zijn veldheer Corbulo in 47 n.Chr. opdracht een linie van versterkingen langs de Rijn aan te leggen. Een van die forten of castella is de oorsprong van de latere stad Utrecht geweest. Het werd aan een doorwaadbare plaats aan de Rijn gebouwd en heette dan ook Traiectum: oversteekplaats. Dit werd in de volkstaal Trecht, Uut-trecht (beneden-Trecht) en tenslotte Utrecht.

Forten linie langs de noord Romeinse grens

omhoogCastellum

Het Utrechtse castellum was aanvankelijk van hout en aarde gebouwd. Het moest enige malen herbouwd worden, onder andere na de opstand van de Bataven in 69, toen het door brand werd verwoest. In het begin van de 3de eeuw is het toenmalige houten fort door een iets groter (tuf)stenen castellum vervangen. Toch had het slechts de afmetingen van circa 125 x 150 meter. Het lag waar nu het Dom en omgeving zijn. Hier en daar zijn nog resten van de stenen muren bewaard gebleven. Uit opgravingen is gebleken, dat in de tijd van de Romeinen ten oosten en ten westen van het castellum ook mensen hebben gewoond. Zij voorzagen in velerlei behoeften van de militairen in het fort: van voedsel tot aan vrouwen.

Domplein gedurende de Romeinse periode en de Middeleeuwen

 

omhoogGermaanse stammen

In de 3de eeuw begonnen Germaanse stammen van buiten het Romeinse Rijk een steeds heviger druk op de versterkte grens uit te oefenen. De Romeinen moesten zich dan ook in de tweede helft van die eeuw uit hun fortenlinie terugtrekken, dus ook uit "Utrecht". Over de daaropvolgende periode is weinig bekend. Het castellum en de daarbij gelegen nederzettingen zijn wellicht door wat mensen uit de omgeving bewoond gebleven. Bij de tegenwoordige Pieterskerk zijn bij opgravingen sporen van een grafveld uit de 5de eeuw gevonden.

De naam Traiectum/Trecht komen we opnieuw in de 7de eeuw tegen. Dan hebben zich hier nieuwe machthebbers gevestigd, de Franken, die hun rijk ten koste van dat van de Friezen wilden uitbreiden. Utrecht lag weer in een grensgebied. Het Frankische Rijk was reeds gekerstend, dat van de Friezen niet. Met de legers van de Franken kwamen zendelingen / missionarissen mee. Hun nationale heilige, Martinus van Tours, werd vanaf dat moment ook in Utrecht vereerd: een houten kerkje was aan hem gewijd. In het midden van de 7de eeuw werd het door de Friezen bij hun herovering van Utrecht verbrand.

omhoogWillibrord - Duitse Rijk

Toen Utrecht omstreeks 695 weer in Frankische handen gevallen was, verscheen de Angelsaksische monnik Willibrord. Hij herbouwd de verwoeste St. Maartenskerk en stichtte daarnaast de St. Salvator, zodat een zogenaamde dubbelkathedraal ontstond. Willibrord was namelijk door de paus tot aartsbisschop van de Friezen benoemd. Vanuit Utrecht begon hij zijn bekeringswerk onder hen. Ook richtte hij een school op waar geestelijken opgeleid werden. Die school was wijd en zijd beroemd wegens de kwaliteit van het onderwijs. In de 9de eeuw werd Utrecht, net als de rest van Europa, door de invallen van de Vikingen geteisterd. De bisschop vluchtte naar Deventer. Hij keerde pas in 922 terug en bouwde de verwoeste kerken weer op.

De Lage Landen maakten deel uit van het Duitse Rijk, dat door de keizer bestuurd werd. Utrecht was de hoofdplaats van een gelijknamig bisdom. De paus had in die tijd weinig invloed op de benoeming van de bisschoppen: zij werden aangesteld door de keizer, die hen ook grote delen van zijn rijk te besturen gaf. Een dergelijk gebied waarover de bisschop wereldlijke macht had, heette een 'Sticht'. Het Sticht Utrecht omvatte de tegenwoordige provincies Utrecht, Overijssel, Drente en de stad Groningen. Het bisdom Utrecht was veel groter: ongeveer het tegenwoordige Nederland boven de grote rivieren. Hier had de bisschop alleen zeggenschap in geestelijke zaken.

 

omhoogGotische Domkerk

De bouw van de gotische Sint Maartenskerk begon officieel in 1254, maar in feite pas in 1284 en eindigde in 1520. Bij stukjes en beetjes werd de Romaanse Dom vervangen. Na elkaar verrezen: de kooromgang, de rest van het koor, de toren, het transept en het schip. Maar in het begin van de 16de eeuw was er geen geld en geen animo meer voor: Renaissance en Reformatie deden hun invloed gelden. Zo is het te verklaren dat het schip nooit helemaal is afgekomen: geen stenen gewelven, maar een vlakke houten zoldering, niet hoog genoeg reikende steunberen en geen luchtbogen. Toen dan ook in 1674 een tornado stad en land trof, bezweek het schip van de Dom, het stortte in. Pas in 1826 werd het laatste puin geruimd. Toen is zelfs overwogen de hele kerk af te breken.

Domkerk voor tornado 1674 Domkerk na tornado 1674

In de loop van de 16de eeuw nam de invloed van de Reformatie toe. Om de verbreiding ervan tegen te gaan, werd o.a. een kerkelijke reorganisatie uitgevoerd: Utrecht werd in 1559 een aartsbisdom. Maar het getij viel niet te keren. De afkeer van de misstanden in de kerk was zó groot, dat oproer ontstond, waarbij beelden en meubilair in de kerken werden stukgeslagen.

omhoog

Het ingestorte schip. H. Saftleven (1675)

In 1566 werden in Utrecht vooral de parochiekerken door deze zogenaamde beeldenstorm getroffen. De kapittelkerken kwamen pas in 1580 aan de beurt. Toen zijn er in de Dom grote vernielingen aangericht. In dat jaar ging Utrecht officieel tot de Reformatie over: van bisschopsstad werd het een reformatorisch bolwerk. Ook al bleef ongeveer een derde van de bevolking katholiek en heerste er een vrij grote tolerantie, openbare uitoefening van de katholieke godsdienst was en bleef verboden. De Dom werd een protestantse kerk, maar het kapittel bleef voortbestaan als beheerder van het vermogen en als onderdeel van het Utrechtse provinciale bestuur. Nieuwbenoemde kanunniken waren echter altijd protestants.

Tijdens de Franse bezetting van 1672-1673 werd de Dom weer voor de katholieke eredienst gebruikt, nadat de soldaten van Lodewijk XIV alles wat aan het protestantisme herinnerde eruit hadden gesloopt. In 1673 gebeurde het omgekeerde. In 1811 waren het opnieuw de Fransen die verandering brachten. Keizer Napoleon hief de kapittels op en scheidde de toren van de kerk: de toren kwam aan de wereldlijke overheid, de kerk aan de kerkelijke gemeente. Kerk en toren zijn in de loop van de 19de en 20de eeuw verschillende keren gerestaureerd. De laatste restauratie van de kerk vond tussen 1979 en 1988 plaats. Aan de buitenkant werden o.a. alle verdwenen versieringen weer aangebracht, zoals de soms zeven meter hoge pinakels. Ze zijn herkenbaar aan hun enigszins afwijkende kleur. In het interieur werd de opstelling van het meubilair grondig gewijzigd. De banken kregen hun oude kooropstelling weer terug: tegenover elkaar, en niet meer achter elkaar en op de kansel gericht. Die opstelling is ook functioneel bij de viering van de liturgie.

omhoogSint Maartenskathedraal - Dom

Aan de Dom was, evenals aan de Sint Salvator, een kapittel verbonden. Het kapittel van de Dom bestond uit een veertigtal kanunniken (canonici). Zij leefden volgens een bepaalde regel of canon, die kuisheid en gehoorzaamheid van hen verlangde, zoals bij kloosterlingen, maar die geen armoede oplegde. De kanunniken waren over het algemeen dan ook welgesteld. De kapittels waren als instelling zelfs zeer rijk, onder andere door inkomsten uit grondbezit. Een deel van hun geld besteedden zij aan de bouw en aan het onderhoud van hun kerken. De kanunniken woonden zelfstandig in grote huizen op een ommuurd terrein rondom de kerk. Over dit gebied, de immuniteit, had de burgerlijke overheid geen zeggenschap.

De voornaamste taak van de kanunniken bestond uit het vieren van de liturgie en het zeven maal daags zingen van het koorgebed. Daarnaast speelden zij een rol bij de benoeming van nieuwe bisschoppen en bij het bestuur van het bisdom. Verder beheerden zij hun landerijen.

De Dom in de 15de eeuw. Het romaanse schip is duidelijk zichtbaar. Drieluik van een onbekende Utrechtse meester (ca. 1460)

De Dom in de 15de eeuw. Het romaanse schip is duidelijk zichtbaar. Drieluik van een onbekende Utrechtse meester (ca. 1460)

In 1039 stierf in Utrecht keizer Koenraad II. Zijn hart en ingewanden werden in de viering van de Dom bijgezet. Kort daarna gaf bisschop Bernulfus (Bernold) opdracht een kruis van kerken rondom de Dom te bouwen. Dit werden de kapittelkerken van St. Pieter ten oosten, van St. Jan ten noorden, en de kerk van de St. Paulusabdij ten zuiden van de kathedraal. De kapittelkerk van St. Marie, ten westen van de Dom, werd pas ongeveer een halve eeuw later door een van Bernolds opvolgers gebouwd. Zo kreeg Utrecht vier nieuwe beschermheiligen en vier nieuwe plaatsen voor doorgaand gebed.

Voor het volk was er de parochiekerk, de Buurkerk. Deze gewone mensen, handelaren en ambachtslieden, woonden in drie nederzettingen aan het water. Zij lagen tussen de Steenweg en de Oude Gracht aan de toenmalige Rijn, in het noorden en in het zuiden van de tegenwoordige binnenstad waar toen de Vecht stroomde. Toen deze nederzettingen geleidelijk aan meer bewoners kregen, was één parochiekerk niet meer voldoende. Kort na 1122 werden de parochies van de Jacobi-, de Nicolaï-, en de Geertekerk van die van de Buurkerk afgesplitst. Hervormingen in de kerk van Rome hadden omstreeks 1100 de macht van de paus vergroot. Een langdurig conflict tussen de paus en de keizer over het benoemingsrecht van bisschoppen werd in 1122 beslecht door het Concordaat van Worms. Daarbij verloor de keizer dat recht. De krachtige politieke steun van de keizer aan de bisschoppen was daarmee ten einde. De wereldlijke macht van de bisschoppen ging achteruit, wat onder andere blijkt uit het feit dat de bewoners van Utrecht in 1122 stadsrechten konden verwerven.

In 1125 stierf keizer Hendrik V tijdens een bezoek aan Utrecht. Ook zijn hart en ingewanden werden in de Dom bijgezet. Nu nog herinneren enkele 15de eeuwse vloertegels in het hoogkoor aan de in Utrecht overleden keizers, Koenraad II en Hendrik V.

Graftegels op het hoogkoor voor de keizers Koenraad II en Hendrik V

omhoogGraftegels op het hoogkoor voor de keizers Koenraad II en Hendrik V

In 1253 werd Utrecht grotendeels door brand verwoest. Het vuur raasde meer dan een week lang door de stad. Ook de Sint Maartensdom werd zwaar beschadigd. Toen men aan de wederopbouw van de kerk begon, werd gekozen voor de toen nieuwe bouwstijl: de (noord-franse) gotiek. Waarschijnlijk heeft de Dom van Keulen als voorbeeld voor de Utrechtse gotische Domkerk gediend.

Geschiedenis
Dom in Docusysteem
Rondleidingen
Onderwijs
Speurtocht
Exposities
Deuren
Reflectie
DomCafé
DomShop
Verhuur
Vrijwilligers
Opening

omhoog