|
De bronzen deuren van de Domkerk Utrecht
Bij de laatste restauratie heeft men besloten de Domkerk weer, zoals ook traditioneel gebruikelijk, vanuit het westen te laten betreden. Met de bronzen deuren gemaakt door de beeldhouwer Theo van de Vathorst heeft de huidige hoofdingang de nodige allure gekregen.
| Hieronder krijgt u, behalve een overzicht van de historie van de diverse deuren van de Domkerk, een verslag van de totstandkoming van dit kunstwerk.
|
|
Colofon
Foto's en tekst genomen uit:
M.J. Smit, 'De deuren van de Dom',
1996, ISBN 90-8033-2917
tekst en samenstelling:
Marja J. Smit
fotografie:
Marja J. Smit, Theo van de Vathorst, Gerard Helt
grafische verzorging:
Jenner en Jenner bv
lithografie:
van Zijl lithografie
druk:
Spijker Drij Buren (Gld)
hulp bij voorbereiding:
Aannemingsbedrijf H.J. Jurriëns bv, Architectenbureau van Hoogevest bv
Het boekje 'De Deuren van de Dom' van Marja J. Smit is te koop in de Domwinkel
|
 |
Inleiding
In bijna 750 jaar geschiedenis heeft de Utrechtse Domkerk veel meegemaakt, en het uiterlijk van het gebouw is daar voor een groot deel door bepaald. In 1253 was een grote brand de aanleiding om op de plaats van de beschadigde Romaanse kathedraal een geheel nieuwe in gotische stijl te bouwen. In 1674 is het gebouw. dat pas zo'n 150 jaar in voltooide vorm bestond, door een verwoestende storm gehalveerd. Daarnaast hebben de storm van de reformatie, en de brand van meer dan één oorlog, ook hun sporen nagelaten. Er zijn tijden geweest van grote rijkdom, en tijden dat er voor het meest eenvoudige onderhoud geen geld was. Oorspronkelijk was de toegang tot de Dom voorbehouden aan een kleine elite, tegenwoordig is de kerk als één van de weinige in Nederland dagelijks open, niet alleen voor toeristen, maar ook voor gelovigen of zomaar mensen op zoek naar rust.
De bouw heeft geduurd van 1254 tot 1517. Na de reformatie in 1580 waren diverse aanpassingen nodig, en in 1672 werd de Dom tijdens de Franse bezetting korte tijd weer katholiek. Toen kwam de orkaan van 1674 die geleid heeft tot het huidige aanzicht van het gebouw, met zijn noodafsluiting aan de westkant, die nu de oostwand van het Domplein vormt.
Sindsdien is er vele malen aan het gebouw toegevoegd en afgebroken, naar gelang de gebruiksbehoefte, of de smaak van het ogenblik. Bij de meest recente restauratie, voltooid in 1988, is bijvoorbeeld een zeer modern theehuis toegevoegd.
Met de veranderingen in het gebruik van de Domkerk wisselde ook het gebruik van de ingangen. Bij de laatste restauratie heeft men besloten de kerk weer, zoals ook traditioneel gebruikelijk, vanuit het westen te laten betreden, en de inrichting daaraan aangepast. Vanaf het grote Domplein komt men heel anders binnen dan vanuit de engte van de Domstraat aan de noordkant. Wat nog ontbrak was een passende ingangspartij. Met de bronzen deuren gemaakt door de beeldhouwer Theo van de Vathorst heeft de huidige hoofdingang de nodige allure gekregen.
Deze pagina's geven, behalve een overzicht van de historie van de diverse deuren van de Domkerk, een verslag van de totstandkoming van dit kunstwerk. Maar de hoofdzaak vormen toch wel de afbeeldingen; zij zijn bedoeld om de onregelmatige bezoeker een idee te geven van wat de wel regelmatige gebruiker van de ingang in de loop der jaren kan ontdekken. Want er is veel te zien.
De oude deuren
De architectuur
In tegenstelling tot andere kathedralen heeft de Utrechtse Domkerk geen opvallende ingang. Normaal hoort bij een dergelijk gebouw een ruim, en rijk versierd, ingangsportaal. Hier is de hoofdingang niet meer dan een gat in een vlakke bakstenen muur, alleen omlijst door een gotische stenen boog zoals er in dat grote vlak meer te zien zijn. Die muur is opgetrokken na de rampzalige storm van 1674 om het gehalveerde kerkgebouw, dat nog alleen uit dwarsschip en koor bestond, af te sluiten en weer bruikbaar te maken. De muur is in feite een dwarsdoorsnede van het oorspronkelijke gebouw, op de overgang van dwarsschip naar schip. Vanzelfsprekend dus, dat hier in de architectuur geen ingangspartij aanwezig is.
De westingang
Maar wie de oude afbeeldingen van de kerk bekijkt ziet eigenlijk nergens een duidelijke ingang, alleen een aantal grotere en kleinere poortjes. Het ligt voor de hand dat een kerk die naar het oosten is gericht, vanuit het westen betreden wordt, en inderdaad lag de hoofdingang, in de ruim honderdvijftig jaar dat de kerk in min of meer voltooide vorm heeft bestaan, aan het westelijk uiteinde van het koor. Vóór de reformatie ging men op kerkelijke hoogtijdagen, en bij feestelijkheden zoals de wijding van een bisschop, vanuit de Servetstraat onder de grote toren door, en daarachter de kerk binnen. De toren stond los van de kerk en midden voor de westgevel. Tussen toren en kerk was op straatniveau een noord-zuid passage en boven de passage lag de zogenaamde bisschopsloge. die de toren met de kerk verbond. Waarom deze kathedraal maar een enkele toren had, en waarom die geen onderdeel van het hoofdgebouw was, staat beschreven in de boeken over de Domkerk zelf. Hoe dan ook is het duidelijk dat er geen ruimte was voor een grootse ingangspartij. Interessant is wel, dat de westelijke deuren blijkbaar gebruikt werden als "prikbord" voor aankondigingen namens het kapittel.
De zuidingang
Een tweede belangrijke ingang lag aan het zuideinde van het dwarsschip, uitkomend op de westarm van de Pandhof. Hierdoor konden bijvoorbeeld processies het kerkgebouw verlaten, en ook hierdoor gingen de kanunniken naar hun vergaderingen in de Kapittelzaal daartegenover. De Dom was geen parochiekerk, maar een kapittelkerk, waar de getijdendiensten dagelijks werden gevierd door de geestelijken (kanunniken) die er omheen woonden. Voor de talloze taken die in de kerk uitgevoerd moesten worden ging men door de verscheidene poortjes in en uit. Zelfs nu van het schip niets over is, zijn er als je om de kerk heen loopt nog zeker negen deuren en deurtjes te zien en te herkennen.
De oostingang
Ook aan de oostarm van de Pandhof, in het  zuidoostportaal, bevond zich een ingang. Na de afsluiting van het portaal (tegenwoordig de winkel) werd dit een binnendeur. In de muur werd wel een nieuwe deur gemaakt. De deur in de oostelijke muur van het portaal gaf oorspronkelijk vanaf het straatje Achter de Dom toegang tot de Pandhof, en daarmee tot de twee zuidingangen.
De noordingang
Er was een derde betrekkelijk grote ingang aan de noordkant van het schip, via een van de kapellen ten westen van het dwarsschip. Toch was ook dit volgens de bestaande plaatjes niet meer dan een in het gigantische geheel van de noordgevel onopvallende deur. Enkele tekeningen, gemaakt kort na de stormramp, tonen aan dat er bij die noordelijke ingang een versierd binnenportaal behoord heeft. In de westgevel is nu nog, niet ver van de noordwesthoek van het gebouw, een stenen puntboog te zien, ongeveer op de plaats van de doorgang van het dwarsschip in de richting van dat portaal. Er wordt wel gezegd dat er oorspronkelijk, als tegenhanger van de deuren in de zuidgevel van het dwarsschip, ook in de noordgevel van het dwarsschip een grote ingang geweest moet zijn maar daarvan is noch in de afbeeldingen, noch in de bewaarde architectuur, iets terug te vinden. Zou misschien bij de bouw van het schip, na 1481, de noordingang gehandhaafd zijn op de plaats waar zich tot die tijd in de romaanse Dom de ingang bevond? Na de Reformatie (1580) is lange tijd alleen het schip gebruikt. Het koor had men niet meer nodig. Van de naburige Buurkerk is in 1586 het koor afgebroken, dat van de Dom werd aan de universiteit verhuurd. Pas toen het schip in 1674 was ingestort zijn dwarsschip en koor voor de protestantse eredienst ingericht. Omdat zowel de ingang achter de toren als die in de noordgevel van het Schip waren verdwenen is in 1678 aan de noordzijde van het koor, tegenover de Domstraat. een dubbele toegangsdeur in classicistische stijl aangebracht.
Een restauratie
Pas in 1826 is definitief besloten van herbouw van het schip af te zien en de resten van het puin tussen dwarsschip en toren te ruimen. Zoals te zien is aan een maquette uit die tijd wilde men ook de na de storm overgebleven zuidelijke schipkapellen afbreken om een symmetrisch gebouw over te houden. De eigenaren van deze kapellen wilden echter niet meewerken en zodoende is alleen de derde, meest westelijke, verwijderd. Wel is in die tijd ook de H. Kruiskapel afgebroken, waardoor aan de zuidwestkant van de kerk voor het eerst sinds de bouw buitenruimte ontstond.
De nieuwe westingang
Midden aan de westgevel van het dwarsschip werd een neogotisch ingangsportaal gebouwd. Maar de bedoelde symmetrie werd danig verstoord doordat een deel van de zuidelijke zijbeuk met twee schipkapellen bleef staan. Het is bovendien de vraag of het portaal werkelijk de functie heeft gehad waarvoor het, althans visueel, bedoeld was. Een doorgang op die plaats zou uitgekomen zijn onder het orgel, gezien de toenmalige inrichting van het interieur geen geschikte plek voor een entree. Misschien ging men in het portaal binnengekomen direct rechtsaf, het overgebleven stuk van het schip in, en dan linksaf naar het dwarsschip. Buiten is nog in de noordmuur tegenover de tweede overgebleven schipkapel een dichtgemetselde doorgang zichtbaar. In de tweede helft van de 19e eeuw zijn de zuidkapellen, die "ernstig verwaarloosd" waren, en vermoedelijk dus ook de bijbehorende stukken zuidbeuk, verhuurd geweest aan de orgelbouwer Bätz, die in 1831 het nieuwe orgel geleverd had. In ieder geval werd nog steeds de 17e-eeuwse toegang aan de Domstraat gebruikt. Een bejaarde inwoner van Utrecht herinnert zich dat er bij de Lutherherdenking van 1917 een lange rij wachtenden in de Domstraat stond om de kerk binnen te gaan.
De zuidwestingang
Ten gevolge van gewijzigde opvattingen over conservering en een veranderde houding ten opzichte van de gotiek zijn de 19e-eeuwse toevoegingen honderd jaar later weer teniet gedaan. De binnenruimte werd anders ingericht, en al in 1925 werd de poort in de westgevel van het overgebleven stuk van het Schip tot hoofdingang bestemd. In 1938 is het grote westportaal afgebroken. Ook toen bleef echter de ingang aan de noordzijde gehandhaafd. De westingang leverde teveel problemen op, vooral in verband met tocht. De stenen spitsboog van de zuidwestingang kan zijn overgenomen uit de westgevel van de zuidbeuk toen de derde schipkapel en het bijbehorend stuk zijbeuk rond 1830 zijn afgebroken. In deze hoek van de kerk zal ongetwijfeld altijd al een poort zijn geweest. Maar pas toen er buiten voldoende ruimte was kon deze als belangrijke toegangsdeur voor de kerk als geheel gaan fungeren. Bij de laatste restauratie, die in 1988 voltooid werd, is deze deur voorzien van een deugdelijk tochtportaal, waarmee definitief de status van hoofdingang bezegeld werd. Toen is ook het idee geopperd om deze als zodanig te markeren. Een mogelijkheid daartoe, zonder de architectuur geweld aan te doen, dus met handhaving van de bestaande gevelopening, bestond in het aanbrengen van bronzen deuren. Tot het zover was bleef de ingang afgesloten met eenvoudige houten deuren. De bronzen deuren zijn vervaardigd door de Utrechtse beeldhouwer Theo van de Vathorst, en in september 1996 aangebracht.


De nieuwe deuren
De architectuur
Zoals al in het stuk over de historische achtergronden is uitgelegd, was en is er geen architectonische omlijsting in de gevel om de hoofdingang te markeren. De kunstenaar stond dus voor het probleem dat de deur direct in de grote uitgestrektheid van de gevel geplaatst moest worden. Bovendien is de opening binnen de gotische spitsboog zeer smal, en daardoor gauw benauwd, wat nog verergerd wordt door de ongelukkige plaatsing van de horizontale verdeling tussen boog en deuropening, namelijk precies halverwege de hoogte. De grote cirkel in het bovenstuk is dan ook een poging om de aandacht van de weinig fraaie verhoudingen af te leiden,
Het openen naar buiten
In oude kerken gaan de deuren meestal naar binnen open. Of de deur nu open is of dicht, men ziet steeds de buitenkant. In het geval van de Domkerk eisen de moderne veiligheidsvoorschriften dat de deuren naar buiten opengaan, dus als ze open zijn ziet men juist de binnenkant. Omdat bij deze "open kerk" de deuren zoveel mogelijk open blijven staan wilde de kunstenaar geen genoegen nemen met een versiering alleen van buiten. Daarom is de binnenkant van beide deuren versierd met voorstellingen in reliëf, waaraan voor de bezoeker die ze op korte afstand passeert wat te beleven is.
De opdracht
In de hedendaagse Domkerk is de aandacht voor een belangrijk deel, ruim omschreven, en niet alleen letterlijk op te vatten, gericht op de noden en behoeften van de medemens. Een gebruikelijke verbeelding daarvan ligt in de werken van barmhartigheid, en in het bijzonder in de figuur van St. Maarten als symbool van naastenliefde. St. Maarten is de patroonheilige van de Domkerk. Zo sluit de nieuwe gerichtheid aan bij meer dan dertienhonderd jaar traditie.
De uitvoering
Alle vijf onderdelen van de nieuwe deurpartij zijn door Theo van de Vathorst in klei geboetseerd op grote houten platen, Hoewel het hier eenmaal op zijn plaats niet meer opvalt, zijn de afmetingen zodanig, dat het zelfs in zijn grote atelier niet gemakkelijk was de stukken te hanteren. Samen hebben de vijf platen een oppervlakte van bijna vijftien vierkante meter. Van de met klei bedekte platen heeft van de Vathorst afgietsels gemaakt in gips, en toen van die negatieven weer positieve afgietsels, ook in gips. Telkens moesten alle onderdelen nauwkeurig bijgewerkt worden.
Het gieten
De grote gipsen platen, versterkt met ijzer, bamboe en jute, zijn vervoerd naar Bronsbeeldgieterij Binder in Haarlem. Het grote voor de punt bestemde stuk is eerst in tweeën gezaagd. Op de gieterij zijn opnieuw negatieven gemaakt, ditmaal in vormzand. Deze negatieven werden afgedekt met binnenvormen, met tussen beide vormen een ruimte van ca. 6 mm. Ieder pakket, ingeklemd tussen stalen balken, is toen in een oven drooggestookt, waarna de ruimte tussen vorm en binnenvorm opgevuld kon worden met gloeiend hete, gesmolten, brons. De bronsgieter heeft zichzelf overtroffen door de vier grote platen van de deuren elk in één stuk te gieten. Ondanks de zeer ingewikkelde bewerking is het niet onwaarschijnlijk dat hier en daar nog vingerafdrukken van de kunstenaar te zien zijn.
De constructie
Nadat de twee delen van het bovenstuk aan elkaar waren gelast, en alle platen afgewerkt, zijn ze getransporteerd naar het constructiebedrijf van Echteld in Cothen, waar met veel aandacht voor detail op maat roestvrij stalen geraamtes voor de deuren zijn vervaardigd. Toen alles paste, en op zijn plaats vastzat, zijn de voor- en achterkanten aan elkaar gelast, zodat twee grote bronzen "dozen" ontstonden. Terug op de bronsgieterij zijn deze dozen kunstmatig gepatineerd, d.w.z. met chemicaliën versneld gekleurd, voordat ze uiteindelijk, in september 1996, in de spitsboogopening zijn geplaatst. De deuren, die per stuk zo'n 800 kilo wegen, hangen niet aan de muur, maar rusten en draaien op twee, door een ondergrondse stalen balk verbonden, stalen kogels.
Mattheus 25, 31-46
Alle voorstellingen in deze deurpartij hebben betrekking op de werken van barmhartigheid en in het bijzonder op deze verzen van de evangelist Mattheus, waarin de werken zijn uiteengezet. In afwijking van de traditie, die zeven werken van barmhartigheid kent, noemt Mattheus er slechts zes: hongerigen te eten en dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Het begraven van de doden hoort er pas sinds de dertiende eeuw als zevende werk bij.
De voorstellingen
Het grote ronde reliëf in de puntboog boven de ingang verbeeldt St. Maarten, aan wie deze kerk oorspronkelijk gewijd was. Met een gebaar dat de hele mensheid lijkt te willen omvatten strekt St. Maarten beide armen uit naar het Domplein. Het is een eigentijdse weergave van het bekendste moment uit het leven van St. Maarten, het delen van zijn mantel met een naakte bedelaar. Het zwaard waarmee dat gebeurd heet te zijn is hier weggelaten, en ook het traditionele paard is niet te zien. Deze daad van naastenliefde staat hier voor het "kleden van de naakten". Aan de binnenkant van de deuren zijn de andere vijf werken van barmhartigheid te zien, links in min of meer hedendaagse vorm, rechts in meer historische taferelen vervat. Enkele hiervan zijn met een knipoog ontleend aan het bekende schilderij van de Meester van Alkmaar in het Rijksmuseum en één, het laven van de dorstigen, stelt de heilige Willibrord voor, van wie verteld werd dat hij veel drinkwaterputten heeft geslagen. Willibrord was de eerste bisschop van Utrecht, en zijn 1300-jarig feest is in 1995 in Utrecht uitgebreid gevierd. De buitenkant van de deuren is versierd met "krantenknipsels". Dit kan misschien gezien worden als een verwijzing naar de traditie om kerkdeuren, denk aan Luther, als "prikbord" te gebruiken. Ook de deuren van de oorspronkelijke westgevel van de Domkerk hadden deze functie. Er zijn zeven verschillende talen gebruikt: Nederlands, Fries, Engels, Japans, Grieks, Latijn en Syrisch. De teksten zijn hoofdzakelijk direct ontleend aan het evangelie van Mattheus. Soms is de gehele tekst van Mattheus 25, 31-46 weergegeven, soms een belangrijk deel daarvan, soms maar een paar regels. Daarnaast is er een korte tekst gewijd aan het "zevende werk", het begraven van de doden, dat niet op de binnenkant van de deuren is afgebeeld omdat Mattheus het niet noemt. Verder zijn er nog twee stukken van teksten over St. Maarten en over St. Willibrord, Sommige teksten breken af omdat er andere "overheen zijn gehangen". Binnen de krantenknipsels komen ook een aantal illustraties voor.
De kunstenaar
Theo van de Vathorst is in 1934 in Utrecht geboren en woont ook in deze stad. Hij is een veelzijdig beeldhouwer, en werkt zowel in steen en terracotta als in brons. Behalve vrijstaande beelden en groot reliëfwerk zoals de Domdeuren maakt hij kleinplastiek, portretten en penningen. In de stad Utrecht zijn van zijn hand te zien bijvoorbeeld de Marktvrouw op de Vismarkt, vlakbij de Domkerk, en het grote borstbeeld van de wereldberoemde judokampioen Anton Geesink. In 1982 maakte hij een penning voor de viering van het 600-jarig bestaan van de Domtoren, en in 1988 één ter gelegenheid van de voltooiing van het grote "Vijf kerken restauratie" project.

|
|
 |